—Mattia, geen gekheid!
—Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt, zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen.
Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op naar den kant van het dorp.
Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een oogenblik stilstaan.
—Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing?
—Wij zullen eene andere verzinnen.
—Welke?
—Dat weet ik nog niet.
—Zoudt gij ze niet roepen?
De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen.
Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad binnen zooals voorheen.
Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan.
—En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien… wat zal ze opkijken!
Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in elkander, om nog meer te gelijken op den
"kleinen Rémi", die vrouw Barberin moeder noemde.
Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou.
Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt, die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen maar erg geel en berookt geworden.
Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp eens van
nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven.
Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van het hek.
—Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia.
Ik maakte mij nu nog kleiner.
De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin.
—Wie is daar? vroeg zij.
Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan.
Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend stak zij hare handen uit.
—Groote God! prevelde zij…. Goede God! is het mogelijk!… Rémi!
Ik stond op en vloog in hare armen.
—Moeder!
—Mijn jongen! 't Is mijn jongen!
Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze tranen hadden bedwongen.
—Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had, zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo groot geworden! En zoo breed!
Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn.
—Dat is Mattia, mijn broer.
—O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit.
—Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een makker en een
vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder van je baas, Capi.
Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er hartelijk om lachen en wischte hare tranen af.
Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken.
—Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb.
