De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond "het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen, zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild.
Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden, lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.
Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren; de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen.
Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had, dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen.
Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had, want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht.
Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld.
Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist, dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.
Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin:
—Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij te Parijs is gaan doen?
—Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen.
Met veel genoegen! Ik stond verstomd.
Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op 't gelaat sprak ze:
—Het schijnt dat uw familie u zoekt.
—Mijn familie?
—Ja, uw familie, Rémi.
—Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?
—Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans zoekt men u.
—Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u.
Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit:
—Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.
—Dat doet hij ook, maar voor uw familie.
—Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij zal mij niet hebben.
—Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou willen leenen!
—Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.
—Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die met een eenigszins vreemden tongval sprak.—"Ja, zeide Jérôme, zoo heet ik."—"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"—"Ja."—"Mag ik u dan vragen waar dat kind nu is?"—"Mag ik u vragen wat u dat aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag.
Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw Barberin,
aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk, dat zij goed geluisterd had.
—Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.—"Zijn wij niet alleen?" vroeg de heer.—"Dat is mijn vrouw,"
antwoordde Jérôme.—"Het is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed.
—En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder?
—Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide, dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant, Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook.
—Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek niets meer van zich doen hooren?
—Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten, dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw makker uw broeder was.
Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem.
—Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke familie!
Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet te deelen.
Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld.
XXXI.
HET OUDE EN NIEUWE GEZIN.
Ik sliep dien nacht weinig; en hoe dikwijls had ik in den laatsten tijd verlangd naar het genot dat ik smaken zou, als ik weder in het bed zou slapen, waarin ik zoo menigen nacht als kind gelegen had, zonder ooit wakker te worden, in een hoekje gedoken met de dekens tot aan mijn kin; hoe dikwijls ook, als ik onder den blooten hemel lag, had ik met weemoed aan dat warme dek gedacht, als ik half-bevroren door de nachtvorst of door-en-door nat van den ochtenddauw ontwaakte uit een bangen droom.
