—Die krijgt gij dan terug.
—Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven? en wie zal ze melken?
—Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje.
Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld.
—Als men onze koe melkt, zeide hij met een glimlach, zou men ons dan de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten.
Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mattia de twee gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik in de gevangenis was: vrouw
Barberin leefde en Barberin zelf was te Parijs.
—De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden, zeide Mattia.
En in zijne vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijne twee handen, door zijne vroolijkheid medegesleept en Capi, die tot hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijne achterpooten tusschen ons beiden instaan.
Toen begonnen wij zoo lustig en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd
—waarschijnlijk om zijne uien—en kwam zien wat wij uitvoerden.
Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam.
Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen; want weldra kwam hij terug met eene groote terrine vol melk—melk van onze koe! Maar dat was nog niet alles: hij gaf ons ook een groot wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zeide, van den vrederechter kwam.
Nooit werden gevangenen zoo goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit had voorgesteld.
Dat was ook het oordeel van Mattia.
—Eten en slapen zonder dat het een cent kost, zeide hij lachend; dat is een buitenkansje.
Ik wilde hem bang maken en zeide:
—Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan voor ons getuigen?
—Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet.
XXX.
VROUW BARBERIN.
Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.
—Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen hij ontwaakte.
—Ik ook.
Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in vrijheid had willen stellen.
Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met een zegel er op.
—Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden bewaren. Goede reis, jongens!
Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens recht hartelijk.
Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden.
—Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet tegenkomen,
die ons naar de gevangenis heeft gebracht.
—De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben te wachten.
—Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet heelemaal ongelukkig.
—Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn.
Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook geducht schichtig.
Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlakte door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje Chavanon ligt.
Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.
—Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.
—Dat zal dan wel lekker smaken.
—Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je mond.
