—Dat is waar.
—De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?
—Maar mijn harp?
—Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was of misschien blind…. Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken, en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan het einde van den winter zal ik u bij een padrone in den kost doen, die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.
Aan zulk een plan had ik niet gedacht.
Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.
—Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op de piva of op de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en van waar ik kwam, toen ik uw dorp
bezocht; ik behoef slechts om een les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds hen, die moedig weten te strijden.
Ik verg thans slechts moed en onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien, Rémi, dat alles nog niet verloren is.
Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien hachelijken toestand te redden.
Maar niet dezelfde gedachten bezielen ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.
In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts duidelijk voor oogen:
Onze scheiding.
En de padrone.
Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die padrones ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.
Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed, onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en vloekten aanhoudend.
Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester zou vallen.
En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou het toch eene groote verandering voor mij wezen.
Na mijn pleegmoeder, Vitalis.
Na Vitalis, alweer een ander.
Zou het altijd zoo met mij gaan?
Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen hechten?
Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was.
Ik zou dus nooit een vader hebben?
Nooit een bloedverwant?
Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?
Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens te kunnen vestigen?
Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden had.
Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.
Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij eenige schreden vooruitgeloopen.
Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder.
Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten; daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme woningen in vervallen toestand.
Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.
Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een straat,
waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.
De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij, die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er ooit acht op te slaan.
—Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.
—Te Parijs, mijn jongen.
Te Parijs!….
Was het mogelijk! Was dat Parijs?
