"Unleash your creativity and unlock your potential with MsgBrains.Com - the innovative platform for nurturing your intellect." » English Books » 📺 📺 ,,Alleen op de Wereld'' by Hector Malot

Add to favorite 📺 📺 ,,Alleen op de Wereld'' by Hector Malot

1

Select the language in which you want the text you are reading to be translated, then select the words you don't know with the cursor to get the translation above the selected word!

Go to page:
Text Size:

Waar stonden mijn marmeren paleizen?

Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?

Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!

Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had.

Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis…. en van Capi!

XVII.

EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE.

Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.

Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond, dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der onaanzienlijke winkels.

Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.

Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed een dichte menigte over de modderachtige steenen voort.

Nooit had ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om het hardst schreeuwden.

Op den hoek van een straat las ik den naam Lourcine.

Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem op den voet.

—Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij.

Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.

Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag, en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.

—Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.

—Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste trap, dan hebt ge de deur recht voor u.

—Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis, terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren; hier woont hij.

De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?

Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen, de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven, terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur; ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook, stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.

—Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.

Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:

—Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.

Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had, voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.

—Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg Vitalis.

—O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft ons het eten.

—Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat Vitalis over twee uur bij hem terugkomt.

—Over twee uur, goed signor.

Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide:

—Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.

Ik kon mijn angst niet verbergen.

—Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.

Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd, maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen en ik bleef dus staan.

Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:

—Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken.

—Neen, antwoordde ik in het fransch.

—O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat: dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart.

—Uit welk land?

Are sens